Stichting ter bevordering van de volledige uitgave van de correspondentie van Desiderius

Erasmus

ANBI

De correspondentie van Desiderius Erasmus

21 | Register

Deel 21 bevat alle registers van de delen 1-20. Het register van correspondenten bevat de namen van de afzenders en de ontvangers van alle brieven uit de reeks, het register van persoonsnamen bevat letterlijk alle persoonsnamen die in de correspondentie van Erasmus voorkomen.

21 | Register
1e druk / 172 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

20 | Brieven 2987 - 3141

In dit twintigste deel zijn de brieven opgenomen die van januari 1535 tot Erasmus’ dood in juli 1536 werden geschreven.Dit deel is vertaald door Frans Slits en Rob Tuizenga.

De situatie in Europa is in de periode 1535-1536 nagenoeg dezelfde als in de tien jaren daarvoor. Op cultureel gebied bloeien humanisme, wetenschap en boekdrukkunst, maar op godsdienstig terrein duurt de onrust van de hervorming voort. Vooral de wederdopers of anabaptisten veroorzaken in deze periode ophef, wat culmineert in het langdurige beleg en de verovering van hun ‘nieuwe Jeruzalem’, de stad Münster. Een heel andere tragedie speelt zich intussen in Londen af. Hendrik viii botste met de regels en wetten van de katholieke Kerk in zijn streven een wettige zoon als potentiële troonopvolger te krijgen.Twee goede vrienden van Erasmus, Thomas More en bisschop John Fisher werden beschuldigd van verraad en in 1535 onthoofd. Deze botsing liep uit op een scheiding: de anglicaanse Kerk maakte zich los van de katholieke. Hoofd van de anglicaanse Kerk was de vorst van Engeland. De bevestiging van de terechtstelling en de gruwelijke details bereikten Erasmus met vertraging via verschillende omwegen, vanwege de Engelse briefcensuur.

De lichamelijke conditie van Erasmus laat te wensen over en hij is ook met zijn levenseinde bezig. Hij verkoopt zijn huis in Freiburg, logeert bij Froben in Bazel om het drukken van zijn Prediker te begeleiden en kan niet besluiten of hij nog naar Bourgondië of naar Brabant wil verhuizen.

Wie de correspondentie van Erasmus leest zou daaruit kunnen opmaken dat hij het financieel niet al te breed had, maar uit het testament, dat aan het eind van dit deel is opgenomen, blijkt dat hij helemaal niet zo onbemiddeld was als hij vaak had doen voorkomen. Ook Erasmus was niets menselijks vreemd.

20 | Brieven 2987 - 3141
1e druk / 408 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

19 | Brieven 2751-2986

In 1529 was Erasmus van Bazel naar Freiburg verhuisd. In 1533 en 1534 heeft hij de stad niet verlaten en was hij zelfs vanwege ziekte en ouderdomsgebreken soms langere tijd aan huis gekluisterd. Niettemin overwoog Erasmus een terugkeer naar de Nederlanden. Toen hij uiteindelijk voorbereidingen voor een verhuizing trof, moest hij die om gezondheidsredenen afbreken. Een jaar later zou hij alsnog verhuizen — terug naar Bazel.

Ziekte en ouderdom hebben Erasmus echter niet weerhouden van het werk. Het accent op religieuze en theologische onderwerpen in zijn publicaties van deze jaren is evident. Ongetwijfeld is De sarcienda ecclesiae concordia de meest controversiële van deze publicaties, juist omdat het in de woelingen van de Reformatie een consequent beroep doet op redelijkheid en gematigdheid in geloofszaken. Alleen zo kan volgens Erasmus een geloofsoorlog worden voorkomen. Maar Erasmus’ pleidooi vond in de christelijke wereld geen onverdeeld gunstig onthaal. Aan belangstelling ervoor ontbrak het niet: De sarcienda ecclesiae concordia werd binnen een jaar zesmaal herdrukt en tweemaal in het Duits vertaald. Maarten Luther zag in het werk het zoveelste bewijs van Erasmus’ lauwe en halfhartige geloofsovertuiging en reageerde met een ongemeen felle aanval op diens persoon.

Oorlogen die mede om het geloof werden uitgevochten, waren er intussen toch wel en ook daarvan keren de sporen in de correspondentie terug. Niet alleen uit Duitsland, maar ook van elders uit Europa ontving Erasmus verontrustende berichten. Thomas More, zijn grootste vriend, en John Fisher, bisschop van Rochester, werden in 1534 gevangengezet na hun weigering koning Hendrik VIII te erkennen als hoofd van de Engelse kerk. In het pausgezinde Spanje werden eveneens diverse geleerden gevangengezet, onder wie Erasmus’ correspondent Juan de Vergara. Een directe aanval van katholieke zijde kreeg Erasmus in 1533-1534 slechts eenmaal te verduren, in de vorm van preken voor de vastentijd van de franciscaan Johann Ferber. Erasmus verwaardigde zich niet een weerwoord te schrijven, maar verzocht Jean de Carondelet, regeringsleider van de Nederlanden, om maatregelen tegen de drukker, die prompt werden genomen.

19 | Brieven 2751-2986
1e druk / 402 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

18 | Brieven 2516-2750

Deel 18 van Erasmus’ correspondentie bevat de 236 brieven die bewaard gebleven zijn uit de periode augustus 1531 t/m december 1532. Meteen al in de tweede brief is er sprake van een gerucht dat er weer een rijksdag op komst is. Aanvankelijk dacht men dat die eind 1531 in Speyer gehouden zou worden, maar uiteindelijk vond hij in het voorjaar en de zomer van 1532 in Regensburg plaats. Niemand wist welke koers Karel V ging volgen. Zou het tot een oorlog met de protestantse vorsten komen? De uitkomst was de godsdienstvrede van Neurenberg, waarmee de keizer zich van hun steun verzekerde bij de strijd tegen de Turken. Evenals bij de rijksdag van Augsburg in 1530 rekenden sommigen op Erasmus’ aanwezigheid en ook dit keer was daar geen kans op. Tegenover kardinaal Bernhard von Cles, kanselier van koning Ferdinand, voert hij zijn slechte gezondheid als excuus aan voor zijn afwezigheid; verder volstaat hij met de opmerking dat er mensen aan de rijksdag zullen deelnemen die hem slecht gezind zijn en zelfs zijn ondergang beramen (brief 2555). Aan Julius Pflug, die had aangedrongen dat hij de rol van bemiddelaar op zich zou nemen, legt hij uitvoeriger uit waarom hij zich afzijdig wil houden: een paar keer praten met Melanchthon kan al een reden zijn om iemand als ketter te beschouwen, en met de monnik die rond 400, ten tijde van keizer Honorius, geprobeerd had twee vechtende gladiatoren uit elkaar te halen, was het ook niet goed afgelopen (brief 2522).

Erasmus koos zorgvuldig zijn weg tussen de verschillende standpunten die zijn correspondenten innamen. Zo raden sommigen hem aan dat hij zijn werken zou herzien en de passages die door een kwaadwillige lezer als ketterij opgevat konden worden, zou aanpassen of verwijderen. Van zijn vrienden krijgt Erasmus juist het advies zijn werk fel te verdedigen.

Uit de brieven blijkt dat Erasmus zeer alert was op alles wat van invloed kon zijn op zijn reputatie bij de keizer en Ferdinand, onder wiens gezag zijn woonplaats Freiburg viel. Daarom bracht Sebastian Francks geschiedwerk Chronica, in 1531 gedrukt in het protestantse Straatsburg, veel onrust bij hem teweeg. Dit werk bevat een zodanige weergave van adagium 2601 over de adelaar en de mestkever, dat het lijkt alsof daarin het gezag van vorsten wordt ondermijnd. Erasmus verdacht de Straatsburgse reformator Martin Bucer van betrokkenheid bij de publicatie van het boek. De positie van de Zwitserse protestanten was inmiddels verzwakt door de Tweede Kappeleroorlog, die uitliep op een overwinning van de katholieke kantons. Onder de gesneuvelden was Ulrich Zwingli. De Bazelse reformator Johannes Oecolampadius overleed kort daarna. Volgens Erasmus veroorzaakten deze gebeurtenissen een ‘ongelofelijke mentale omslag’.

18 | Brieven 2516-2750
1e druk / 444 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

17 | Brieven 2357 - 2515

In dit zeventiende deel zijn de brieven opgenomen die van augustus 1530 t/m juli 1531 werden geschreven. Dit deel is vertaald door Jan Bedaux.

Een opvallend thema vormt in dit deel de Rijksdag te Augsburg (20 juni-19 november 1530), waar Karel v hoopte de aanhangers van de Reformatie en de katholieken tot elkaar te brengen. Uiteindelijk slaagde hij daar niet in. Erasmus had geweigerd de rijksdag bij te wonen, omdat hij naar eigen zeggen van de keizer geen uitnodiging had ontvangen en hij bovendien ziek was. Met deze argumenten kon hij voorkomen dat hij bij de discussies betrokken raakte. Van zowel zijn tegen- als zijn medestanders die de Rijksdag bijwoonden ontving hij diverse brieven. Ook in andere brieven komt de Rijksdag ter sprake. Door de onopgeloste godsdiensttwisten slaagde Karel v, die volgens Erasmus de aanwijzingen van paus Clemens v steeds gewillig opvolgde, er niet in de rust in het Duitse keizerrijk te herstellen en het rijk achter zich te krijgen voor zijn strijd tegen de Turken – ontwikkelingen die Erasmus veel zorgen baarden en hem somber stemden. De ernst van de situatie in Oost-Europa kreeg Erasmus te lezen in de brieven 2396 en 2399. Ook de onlusten en dreigingen in andere landen sterkten zijn pessimisme.

Sinds april 1529 woonde Erasmus in het huis ‘Zum Walfisch’ in Freiburg. Met zijn nieuwe woonplaats was hij niet gelukkig. De kosten voor levensonderhoud waren hoog. Bovendien brak er in het voorjaar van 1530 een pest uit en was Erasmus van maart tot juli ernstig ziek. Door wisseling van eigenaar van ‘Zum Walfisch’ moest Erasmus, die daar tot dan toe gratis woonde, voortaan huur betalen, hetgeen eind september 1531 leidde tot verhuizing naar een nieuwe door hem gekochte woning ‘Zum Kind Jesu’. Hoewel Erasmus Freiburg wilde verlaten en hij heel wat uitnodigingen naar andere plaatsen ontving, verliet hij desondanks de stad niet. Als reden hiervoor voerde hij zijn zwakke gezondheid aan. Bovendien kreeg hij het dringende advies pas uit Freiburg te vertrekken wanneer de Rijksdag van Augsburg was afgelopen. De toen invallende winter maakte iedere reis onmogelijk.

17 | Brieven 2357 - 2515
1e druk / 430 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

16 | Brieven 2204 - 2356

In het voorjaar van 1530 reisden vele vorsten en andere hooggeplaatste personen uit het Heilige Roomse Rijk naar Augsburg om de rijksdag bij te wonen. Op de agenda stond natuurlijk de godsdienstkwestie. De grote afwezige hierbij was, in de ogen van zijn correspondenten, Erasmus. Het gerucht ging dat de keizer hem ontboden had, maar dit was naar zijn zeggen niet waar. Zelfs als dat wel het geval was geweest, was hij niet naar Augsburg gegaan, want hij was ziek. Bovendien zag hij geen oplossing voor het probleem. ‘Als iemand iets redelijks naar voren brengt, krijgt hij meteen “Dat is lutheranisme!” naar zijn hoofd’. Dit laatste schrijft hij aan Melanchthon, die evenals anderen een uitvoerige beschrijving van zijn ziekte krijgt.

Erasmus haalt in een pamflet over een eventuele oorlog tegen de Turken fel uit naar de handel in aflaten als manier om een dergelijke onderneming te bekostigen. Om te voorkomen dat hij hierdoor met Luther geassocieerd wordt, legt hij die kritiek in de mond van ‘de mensen’. Hij wil immers geen reformatie waarbij kerkelijke gebruiken die op zichzelf goed zijn op de schop gaan omdat sommigen ze misbruiken. Op aandringen van de bisschop van Londen, Cuthbert Tunstall, spreekt hij duidelijk zijn acceptatie van de traditionele visie van de kerk op de eucharistie uit.

De 23 brieven uit dit deel die Erasmus en Bonifacius Amerbach met elkaar wisselden, hebben duidelijk een privé-karakter. Amerbach, jurist aan de universiteit van Bazel, kon tegenover Erasmus ongeremd zijn ongenoegen uiten over de reformator Oecolampadius, die iedereen bij ‘zijn’ avondmaal wil hebben. Omgekeerd kon Erasmus bij Amerbach terecht met zijn zorgen over zijn petekind Erasmius Froben. Over de opleiding van de ongeveer vijftienjarige jongen, zoon van de drukker Johann Froben, was enige discussie. Uiteindelijk vertrekt Erasmius naar Leuven met een aanbevelingsbrief voor de hoogleraar Latijn van het Drietalencollege aldaar, Conradus Goclenius.

16 | Brieven 2204 - 2356
1e druk / 344 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

15 | De brieven 2082-2203

In dit deel zijn de brieven van januari tot augustus 1529 opgenomen. Dit deel is vertaald door Jan Bedaux.

De belangrijkste gebeurtenis in dit jaar is zonder twijfel Erasmus’ verhuizing in april van Bazel naar Freiburg. De toegenomen spanningen tussen de evangelische meerderheid en de katholieke minderheid ontlaadden zich begin februari in een beeldenstorm, waarna de mis formeel werd afgeschaft. In zijn brieven aan Willibald Pirckheimer geeft Erasmus een uitvoerige beschrijving van de verslechterende toestand die hem definitief deed besluiten Bazel te verlaten. Hoewel Erasmus erg tegen de verhuizing had opgezien, was hij daarna bijzonder tevreden met zijn nieuwe woonplaats.

Ondanks de onrustige situatie in Bazel had Erasmus zijn werkzaamheden onverminderd voortgezet. Eind februari verscheen de tweede editie van Seneca met een uitgebreide opdrachtbrief aan Piotr Tomicki, bisschop van Krakau. In het najaar verschenen de Opera omnia van Augustinus in tien delen, opgedragen aan de primaat van Spanje, Alfonso Fonseca. In de opdrachtbrief geeft Erasmus niet alleen een levendige beschrijving van Augustinus, maar ook van de problemen die hij in de loop der jaren bij het gereedmaken van de teksten was tegengekomen. Daarnaast verschenen er twee kleinere werken. De vidua christiana werd opgedragen aan de jonge weduwe Maria van Hongarije, die later als landvoogdes der Nederlanden Erasmus zou uitnodigen zich in zijn geboorteland te vestigen. Het tweede werk, De pueris instituendis, waarin Erasmus zijn pedagogische idealen uiteenzette, droeg hij op aan de jonge hertog Willem van Kleef. Voorts liet Erasmus een tweede editie van zijn Ciceronianus verschijnen waarin hij passages corrigeerde die in de eerste editie veel commotie teweeg hadden gebracht.

Ook persoonlijke twisten bleven Erasmus bezighouden. Begin 1529 laaide de controverse met Heinrich Eppendorf weer op. Erasmus en Eppendorf beschuldigden elkaar van het schenden van de overeenkomst die een jaar eerder na een heftig conflict was getekend. Meningsverschillen met Spaanse en Franse theologen (Luis de Carvajal, Alberto Pio en Noël Béda) duurden onverminderd voort. Op 17 april werd Erasmus’ vriend Louis de Berquin op beschuldiging van ketterij na drie processen in Parijs terechtgesteld; deze executie wordt in de brieven 2158 en 2188 beschreven.

De laatste brief in dit deel, brief 2203, vormt het voorwoord bij Erasmus’ Opus epistolarum, een uitgave van alle eerder verschenen brieven, aangevuld met meer dan vierhonderd nieuwe.

15 | De brieven 2082-2203
1e druk / 344 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

14 | De brieven 1926-2081

In dit deel zijn de brieven uit 1528 opgenomen. Dit deel is vertaald door Robin Buning en Jan Bedaux.

1528 was een vruchtbaar jaar voor Erasmus, waarin hij onder meer de Ciceronianus, sive De optimo genere dicendi (De ciceroniaan ofwel Over de beste literaire stijl) publiceerde en eindelijk zijn tiendelige Augustinus-editie voltooide, maar waarin hij ook van zijn werk werd afgehouden door de voortdurende aanvallen vanuit de theologische faculteit van Parijs, terwijl ook de pogingen van de Spaanse monnikordes om hem voor ketterij veroordeeld te krijgen hem bleven bezighouden. Daarbij kwamen nog de uitbarsting van zijn conflict met Heinrich Eppendorf en de woede van Guillaume Budé, die aanstoot had genomen aan de Ciceronianus. Ten slotte moest Erasmus in april het overlijden betreuren van Albrecht Dürer, die twee bekende portretten van Erasmus gemaakt heeft, en in juni dat van zijn patroon Ferry de Carondelet, aan wie Erasmus nog maar twee dagen daarvoor een editie van de werken van Faustus van Riez had opgedragen.

Het evangelische gevaar kwam voor Erasmus heel dichtbij. Nadat Bern in januari 1528 was overgegaan tot de zwingliaanse reformatie, was Erasmus bang dat de volgelingen van Zwingli ook in Bazel aan de macht zouden komen. Daarom had hij plannen om nog voor de winter van 1528/1529 uit Bazel te vertrekken. In zijn correspondentie bespreekt Erasmus de vele uitnodigingen die hij had ontvangen om zich in het buitenland te vestigen. Karel V nodigde hem uit naar Spanje te komen, Ferdinand van Oostenrijk naar Wenen, Margareta van Oostenrijk naar Brabant, Sigismund I naar Polen, Frans I naar Frankrijk, en Hendrik VIII en William Warham, de aartsbisschop van Canterbury, naar Engeland. Erasmus lijkt de Engelse optie serieus te hebben overwogen, maar uiteindelijk bedankte hij. De redenen die hij gaf waren zijn hoge leeftijd, zijn zwakke gezondheid en het gevaar van de reis, maar hij wist ook niet goed waar hij heen moest gaan. In oktober vond hij het in Bazel eigenlijk niet veilig meer, maar pas nadat het in februari 1529 tot een beeldenstorm was gekomen, verliet Erasmus de stad en vestigde zich in Freiburg im Bresgau.

Ook de aanvallen vanuit de theologische faculteit van Parijs onder leiding van Noël Béda, die Erasmus in brief 1669 als tegenstander gelijkstelt aan wel drieduizend monniken, bleven doorgaan. Erasmus’ brieven aan de theologische faculteit, Frans I en het Parlement van Parijs om Béda het zwijgen op te leggen, hadden echter geen effect. Ook schreef Erasmus aan Nicolas Le Clerc, lid van een speciale onderzoekscommissie naar ketterij, om zich te verweren tegen diens beschuldigingen (brief 2043). Alsof Erasmus nog niet genoeg kritiek vanuit Parijs te verduren had, kwam daar in augustus 1528 nog een conflict met Guillaume Budé bij. Een andere slepende kwestie is de verduistering in 1527 van een deel van de negentig nobels jaargeld die Erasmus van de aartsbisschop van Canterbury Warham ontving.

14 | De brieven 1926-2081
1e druk / 364 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

13 | De brieven 1802-1925

In dit dertiende deel zijn de brieven opgenomen die van maart tot december 1527 werden geschreven. Dit deel is vertaald door Tineke ter Meer.

Eind 1527 wordt in een herberg in Thann, in de Elzas, een pakket brieven van Erasmus gevonden. De brieven worden overgedragen aan het stadsbestuur, onderzocht en doorgestuurd naar hogere gezaghebbers, tot grote verontwaardiging van de afzender. Het achtergelaten pakket bevatte onder meer brieven aan de theologische faculteit van Parijs en het hoogste rechtscollege van Frankrijk, waarmee Erasmus een officiële veroordeling van zijn boeken probeerde te voorkomen. Ook in Spanje ligt zijn werk onder vuur. Zijn vrienden daar houden hem in hun brieven op de hoogte van de ontwikkelingen.

In Savoye had een franciscaan de preekstoel gebruikt om kritiek op Erasmus’ werk te leveren. Zoals Erasmus hem in een felle brief voorhoudt, misbruikt hij daarmee zijn positie en de ootmoed van de verzamelde christenen. Verder maakt de man zich schuldig aan ondankbaarheid: Erasmus beult zich af om de tekst van bijbel en kerkvaders te herstellen, ten koste van zijn eigen gezondheid, en krijgt als dank alleen maar verwijten naar zijn hoofd, maar als iemand een korf vissen, kleding, een mand vol brood of een paar kazen als geschenk stuurt, wordt hij de hemel in geprezen! Bovendien is het absurd dat hij, terwijl hij volop in gevecht met Luther gewikkeld is, van achteren aangevallen wordt door mensen die aan dezelfde kant staan.

Dit deel laat goed zien hoeveel werk Erasmus inderdaad op het gebied van de kerkvaders verzette. Al die tekstuitgaven en vertalingen werden in Bazel gedrukt bij Johann Froben, met wie Erasmus sinds 1514 samenwerkte. Van oktober 1527 dateert Erasmus’ voorwoord bij het tweede deel van zijn volledige uitgave van Augustinus. Graag had Froben de voltooiing van alle tien delen beleefd. Hij overlijdt evenwel nog in dezelfde maand waarin Erasmus zijn voorwoord schreef. Erasmus herdenkt hem in een brief aan Jan van Heemstede.

13 | De brieven 1802-1925
1e druk / 400 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

12 | De brieven 1658-1801

Een belangrijk thema in dit deel van de brieven van Erasmus vormt de onenigheid met Luther, waar Erasmus erg onder gebukt gaat. Daarnaast wordt hij voortdurend door Zwitserse reformatoren belaagd, terwijl ook de positie van de katholieken in Bazel verslechtert. Erasmus voelt zich eveneens van katholieke zijde aangevallen, met name door theologen uit Parijs en Leuven. In zijn strijd met de Leuvense theologen zoekt hij aan kerkelijke en wereldlijke zijde steun door brieven naar Rome en het hof van Karel V in Spanje te sturen. De keizer antwoordt zelf met een bemoedigende brief.

De zorgen over zijn gezondheid zullen Erasmus ertoe gebracht hebben in het begin van 1527 een testament op te stellen. Dit bevat niet alleen een verdeling van de persoonlijke bezittingen, maar ook een regeling voor de uitgave van zijn Opera omnia met een lijst van personen of instellingen die deze uitgave als geschenk dienden te ontvangen. De bepalingen van het testament laten zien dat Erasmus op dat moment bepaald niet onbemiddeld was.

Te midden van bovengenoemde onderwerpen neemt brief 1756 een bijzondere positie in. Erasmus geeft hierin een bijzonder levendige beschrijving van een ontploffing van een kruittoren, die door blikseminslag werd veroorzaakt.

12 | De brieven 1658-1801
1e druk / 324 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

11 | De brieven 1535-1657

In dit elfde deel van de integrale uitgave van alle 3141 brieven van en aan Erasmus zijn de brieven opgenomen die in 1525 werden geschreven. Dit deel is vertaald door Rob Tuizenga.

Deel 11 van de correspondentie van Erasmus bevat de brieven uit het jaar 1525. Ondanks het geweld van de Duitse boerenoorlog ging het briefverkeer door. Berichten daarover bereikten uiteraard ook Erasmus, en het geschut en het wapengekletter waren zelfs in Bazel te horen. Aan het eind van het jaar geeft hij een schatting van het aantal boeren dat gedood is en geeft hij een opsomming van de gruwelen die priesters ondergingen. Het moet allemaal zeer beklemmend voor Erasmus zijn geweest. ‘De wereld gaat zwanger van een wonderbaarlijke omwenteling,’ schrijft hij aan François Dubois, een bevriend geleerde, ‘alles lijkt af te stevenen op een Scythische barbarij.’ Vooralsnog was Bazel een veilige woonplaats, maar aan de universiteit doceerde Johannes Oecolampadius, die Erasmus tien jaar eerder had geholpen bij zijn uitgave van het Nieuwe Testament en nu de stad vertrouwd maakte met de ideeën van de Reformatie. Erasmus stelt het niet op prijs in Oecolampadius’ werken geprezen te worden, zo laat hij hem weten.

De godsdienstige controversen waarmee Erasmus in aanraking kwam, vertakten zich steeds verder. Ondanks zijn aanval op Luther bleef Erasmus doelwit van de conservatieve katholieke theologen, van wie Noël Béda, verbonden aan de Sorbonne in Parijs, in dit deel de representant bij uitstek is. De katholieken verweten Erasmus niet alleen ideeën die hij met Luther gemeen zou hebben, maar ook gebrek aan daadkracht. Hij was immers, zo dacht men, als enige in staat de tegenstander met zijn pen te vellen. De reformatorische partij was inmiddels verdeeld geraakt over de opvatting van de eucharistie. Deze kwestie leidde tot een felle polemiek met Conradus Pellicanus, die gezegd zou hebben dat Erasmus dezelfde nieuwe opvatting had als hijzelf. Erasmus hield vast aan zijn middenkoers ‘tussen Scylla en Charybdis’, hoewel hij besefte dat sommigen dit eerder als behoedzaamheid dan als standvastigheid zouden interpreteren.

In brief 1541 stelt zich een naamgenoot aan Erasmus voor, de Antwerpse zakenman Erasmus Schets, die herhaaldelijk tijdens een diner of gesprek wordt aangesproken als de Erasmus door wie deze naam beroemd werd, de Erasmus die met zijn Parafrasen de leer van het evangelie ook voor eenvoudige mensen begrijpelijk maakte. Op de zes brieven van en aan Schets uit dit deel volgden er nog vele tientallen tot vlak voor Erasmus’ dood.

11 | De brieven 1535-1657
1e druk / 328 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

10 | De brieven 1356-1534

In dit tiende deel van de integrale uitgave van alle 3141 brieven van en aan Erasmus zijn de brieven opgenomen die werden geschreven van april 1523 tot eind december 1524. Dit deel is vertaald door Frans Slits.

In de jaren twintig van de zestiende eeuw wordt Europa politiek gedomineerd door Karel V. De grootste problemen in de gebieden van Karel waren niet van politieke of militaire, maar van sociale, economische en religieuze aard. Het grootste probleem was de westerse kerkhervorming, met de gevolgen van het optreden van Luther. Dit is het onderwerp waarvan alle brieven van Erasmus’ correspondentie uit deze periode doordesemd zijn.

In september 1523 overlijdt de Nederlandse paus Adrianus VI; hij wordt opgevolgd door Clemens VII (Giulio de’Medici). Erasmus heeft er veel vertrouwen in dat Clemens Luther de wind uit de zeilen zal nemen en hij is bereid hem daarbij te helpen. Hiertoe publiceert hij in september 1524 een werk over de vrije wil, waarin hij stelling neemt tegen Luthers opvattingen daarover. Het jaar 1523 was ook het jaar van de ruzie met Ulrich von Hutten, aanvankelijk een vriend van Erasmus, die volgeling van Luther was geworden en zich ontpopte als auteur van een scherpe aanklacht tegen Erasmus. De aangeklaagde verweert zich met het geschrift De Spons, maar Hutten overlijdt op 29 augustus 1523, terwijl Erasmus’ werk door Froben in Bazel gedrukt wordt. Erasmus wordt vaker aangevallen, ook van katholieke zijde: hij moet een expliciete keuze maken, voor de oude roomse kerk of voor de nieuwe beweging, in beide gevallen met alle gebreken van dien.

Speciale vermelding verdient de uitgebreide autobiografische schets, ingevoegd in brief 1437 aan Conradus Goclenius. Wat hij zegt naar aanleiding van zijn verblijf in Rome in 1509, illustreert dat hij zich niet aan een bepaalde stad of land gebonden voelde. De briefwisseling met Georg hertog van Saksen biedt een duidelijk beeld van de spannende situatie in die jaren en van Erasmus’ betrokkenheid.

10 | De brieven 1356-1534
1e druk / 422 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

9 | De brieven 1252-1355

Deel 9 van de Correspondentie van Erasmus bevat de brieven van januari 1522 tot april 1523. Erasmus is dan net in Bazel komen wonen, de plaats waar hij het langst onafgebroken zou verblijven. De Reformatie verkeert op dat moment nog in haar beginperiode. De weigering van Erasmus partij te kiezen speelt in dit deel een belangrijke rol. Een bijzonder element hierin vormt de briefwisseling van Erasmus met paus Adrianus VI, de enige Nederlandse paus.

Aparte vermelding verdienen voorts twee lange brieven. In de brief 1341a geeft Erasmus naast biografische details een uitvoerig overzicht van zijn tot dan verschenen geschriften met een voorstel hoe deze in een uitgave van zijn verzamelde werken ondergebracht moeten worden. In de brief 1342 rechtvaardigt Erasmus uitvoerig zijn niet begrepen houding tegenover Luther, hij beschrijft zijn tocht van Leuven naar Bazel en doet verslag van zijn mislukte reis naar Rome, die hij door een niersteenaanval in Konstanz moet beëindigen.

Dit deel is vertaald door Jan Bedaux. Brief 1280a van Caspar Ursinus Velius, geschreven in dactylische hexameters, is vertaald door Marietje d’Hane-Scheltema. Allen wist van het bestaan van de brief, maar heeft hem niet opgenomen.

9 | De brieven 1252-1355
1e druk / 408 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

8 | De brieven 1122-1251

‘Mijn werken dienden nooit enige partij behalve die van Christus, waar we allemaal toe behoren,’ schrijft Erasmus in het voorjaar van 1521 aan Justus Jonas. Het was hem een doorn in het oog dat zich om hem heen twee partijen vormden: men werd geacht voor of tegen Luther te zijn. Jonas was een van Erasmus’ vrienden die zich ontwikkelden tot aanhangers van de reformatie. Enkele weken later stuurde Erasmus hem een brief met de biografieën van twee geestelijken die hij persoonlijk had gekend, de franciscaan Jean Vitrier uit Sint-Omaars en John Colet, deken van St. Paul’s in Londen. Daarin portretteert hij tot op zekere hoogte ook zichzelf, omdat hij laat blijken wat hij in beide personen bewondert.

Telkens weer schrijft Erasmus over de theologen aan de Leuvense universiteit, die hem stigmatiseerden als aanhanger of helper van Luther of zelfs degene aan wie Luther zijn opvattingen ontleende. Hun stemmingmakerij tijdens preken, colleges en andere samenkomsten bleef niet onbeantwoord. Een van hen, Nicolaas Baechem uit Egmond, werd het mikpunt van een geestige brief aan Thomas More. Een ander, Vincentius Theoderici, ontving een vermanende en soms ronduit beledigende brief, en dat terwijl hij misschien wel op ‘een mijtertje ergens’ had gehoopt als beloning voor zijn geschreeuw. Erasmus liet beide brieven afdrukken in de bundel met correspondentie die kort daarna op de markt kwam.

Het deed Erasmus verdriet te horen dat de bisschop van Wroclaw, Johannes Thurzo, die zo graag zijn boeken las, was overleden. Blijkens de laatste brief uit dit deel waren er ook weer nieuwe bewonderaars, die hem graag een keer wilden ontmoeten. In dit geval waren het jongelui die het raadzaam vonden eerst een aanbevelingsbrief te halen bij het hoofd van hun vroegere school in Sélestat alvorens door te reizen naar Erasmus’ nieuwe woonplaats, Bazel.
Dit deel is vertaald door Ton Osinga en Tineke ter Meer.

8 | De brieven 1122-1251
1e druk / 388 blz. / 16 × 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

7 | De brieven 993-1121

In het najaar van 1519 werd duidelijk dat het optreden van Luther kon leiden tot een door Erasmus gevreesde kerkscheuring. In zijn brieven uit deze periode maakt Erasmus zijn positie tegenover Luther steeds vaker kenbaar. Hij brengt een scheiding aan tussen zijn eigen streven naar herstel van de geleerde beschaving – met inbegrip van de theologie – en de aanpassingen van de kerkelijke leer die Luther wilde. Voorts roept hij zowel Luther als de kerkelijke autoriteiten op met nuchterheid te werk te gaan. Van Luther betreurt hij de scherpe toon, maar hij verdedigt hem als een goed mens met oprechte intenties. Van de inhoud van Luthers leer houdt hij afstand, tegelijk benadrukkend dat er in de kerk ruimte dient te bestaan voor hervormingen. Bovenal eist Erasmus, zowel voor Luther als voor zichzelf, het recht op kerkelijke leerstellingen en praktijken ter discussie te stellen, en verzet hij zich met hand en tand tegen degenen die in elke discussie ketterij zien.

De spanningen rondom Luther zorgden voor een verslechtering in de relatie tussen Erasmus en de theologen uit zijn woonplaats Leuven. In 1520 ontstond een heuse controverse nadat Edward Lee, een Engelsman die in Leuven theologie studeerde, zijn kritiek op Erasmus’ uitgave van het Nieuwe Testament had gepubliceerd. Erasmus had zijn verdediging snel klaar en regisseerde een reeks aanvallen op Lee van bevriende Duitse humanisten. In de vele brieven waarin Erasmus lucht geeft aan zijn ergernis over Lee, toont hij zich soms van zijn kleinmoedige kant en is hij nogal snel geneigd in de affaire – evenals in de ophef rondom Luther – een samenzwering te zien tegen het herstel van de geletterde beschaving dat door zijn toedoen was bereikt.

7 | De brieven 993-1121
1e druk / 360 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

6 | De brieven 842-992

Erasmus reisde in de zomer van 1518 van Leuven naar Bazel om een tweede druk van zijn uitgave van het Nieuwe Testament te verzorgen. Amper hersteld van een hardnekkige ziekte en nog vermoeid van het harde werken stapte hij in september op de boot om over de Rijn naar het noorden te reizen. Een brief aan Beatus Rhenanus geeft een gedetailleerd verslag wat zich onderweg voordeed, bijvoorbeeld toen het schip aanlegde in Boppard, bij Koblenz. De tolbeambte daar blijkt een liefhebber van Erasmus’ boeken te zijn.

Dat niet iedereen hem welgezind is, wordt in dit deel steeds duidelijker. Een van zijn tegenstanders is de Engelsman Edward Lee. De grote Franse geleerde Guillaume Budé, ook in dit deel weer ongemeen scherp, is blij dat zich met Lee iemand anders aandient op wie Erasmus zijn humeurigheid kan botvieren. Budé weigert zich bij de bewonderaars te voegen, terwijl anderen er een lange reis voor over hebben om een keer de grote Erasmus te ontmoeten – iets waar de laatste overigens minder gelukkig mee is: laten ze toch zijn boeken lezen, dan leren ze hem beter kennen. Bovendien storen ze hem bij zijn werk.

Aan het eind van de periode die dit deel beslaat, op 27 juni 1519, begint de disputatie te Leipzig tussen Johannes Eck en Andreas Karlstadt en vervolgens ook Luther. Luther zelf richt zich op 28 maart 1519 voor het eerst tot Erasmus. Met zijn uitlatingen over de aflaathandel en de onverbloemde, opzettelijk deels in het Grieks geformuleerde kritiek op de alleenheerschappij van de paus lijkt Erasmus zich aan Luthers zijde te scharen, maar enkele maanden later benadrukt hij hem niet persoonlijk te kennen en zijn werk nog nauwelijks gelezen te hebben. De verdere ontwikkelingen zullen te volgen zijn in deel 7.

6 | De brieven 842-992
1e druk / 362 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

5 | De brieven 594 – 841

De correspondentie van deel 5 omvat de periode 1517 tot 1518. In juli 1517 keerde Erasmus terug naar Leuven, waar hij introk bij zijn oude vriend Jean Desmarais. Een paar maanden later verhuisde hij naar het College van de Lelie. Daar hoopte hij in zijn fraaie kamer, temidden van katheders waarop hij zijn folianten kon uitstallen, rustig te kunnen werken. Hij voelde zich er thuis, had er vele vrienden en was als vooraanstaand lid opgenomen in de theologische faculteit.

Toch ontbreekt de harde realiteit niet. Erasmus had in Leuven immers ook de nodige vijanden en – misschien erger – halfslachtige vrienden zoals Jean Briart d’Ath en Maarten van Dorp. Ook Edward Lee bezorgde Erasmus moeilijkheden. Erasmus had deze Engelsman in 1516 korte tijd ingewijd in het Grieks, maar moest al gauw constateren dat hij een adder aan de borst had gekoesterd. Lee ontpopte zich als een bijzonder ambitieus en kwaadaardig man. Hij begon van alle kanten kritiek te verzamelen op de geschriften van Erasmus en die heimelijk te publiceren. Als klap op de vuurpijl verscheen ook Luther op het toneel. Kortom, de rust die Erasmus gezocht had in Leuven, was ook maar betrekkelijk.

5 | De brieven 594 – 841
1e druk / 352 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

4 | De brieven 446 – 593

Deel 4 opent met een brief van Erasmus aan paus Leo x, gevolgd door een soort autobiografische schets aan de pauselijk secretaris. Met beide brieven beoogt Erasmus de fel begeerde dispensaties te krijgen. Deze worden hem uiteindelijk verleend. Hij wordt vrijgesproken van afvalligheid en excommunicatie, bevrijd van zijn kloostergeloften en gerechtigd om meer dan een prebende te aanvaarden en die om te zetten in een jaargeld. Hij is dan ook niet erg bereid om naar Frankrijk te vertrekken, waar Budé hem in naam van de koning heen tracht te lokken. Budé is een groot geleerde, maar hij heeft een ondoorgrondelijke, ingewikkelde stijl. Hij verwijt Erasmus te veel over futiliteiten te schrijven. Erasmus dient hem meesterlijk van repliek, want hij heeft er als raspedagoog een grote hekel aan de dingen nodeloos ingewikkeld te maken. En zo spreekt overal en steeds weer het gezonde verstand.

4 | De brieven 446 – 593
1e druk / 352 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

3 | De brieven 298 – 445

Deel 3 vangt aan in 1514. Erasmus, aangetrokken door de faam van uitgever Amerbach, gaat op weg naar Basel. Tot zijn grote verrassing wordt deze reis in de Duitse gebieden een ware triomftocht. Overal wordt hij ingehaald als de ware vorst der letteren en hij maakt – en wij met hem – een schare nieuwe vrienden: Froben, de opvolger van Amerbach, de drie zonen van Amerbach, Beatus Rhenanus, Jacob Wimpfeling, Zasius en talloze andere. Met al die mensen gaat hij een correspondentie aan die ons een diepgaand inzicht geeft in de wereld van het Duitse humanisme. Hij ontplooit vele activiteiten: een vertaling van het Nieuwe Testament in het Grieks en Latijn, een nieuwe, compleet herziene uitgave van de brieven van Hieronymus, vertalingen van Seneca en Cato. Hij probeert van de paus de nodige dispensaties te verkrijgen, ruziet met Maarten van Dorp over de Lof der zotheiden het nut van zijn arbeid aan het Nieuwe Testament en Hieronymus en begint een briefwisseling met de grootste Franse humanist Guillaume Budé. Kortom, ook dit deel van de correspondentie bruist van leven en activiteit.

3 | De brieven 298 – 445
1e druk / 308 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

2 | De brieven 142 – 297

Erasmus verwerft in deze tijd een dominante positie als vorst van de letteren en van het christelijk humanisme. Hij maakt zich het Grieks eigen, schetst de basisgedachten van zijn christendom in het Handboek van de christensoldaat, vestigt zijn naam als geleerde met de prachtige uitgave van deAdagia, schrijft zijn Lof der zotheid, geeft de correspondentie van Hieronymus uit en legt de grondslag voor zijn uitgave van het Nieuwe Testament. Veel vertrouwelijke brieven aan zijn vrienden, veel voorwoorden voor zijn beschermheren. Uit deze brieven komt Erasmus naar voren als een zelfbewust man met een scherpe tong wanneer hij kritiek levert, maar ook als een warmvoelende vriend die nieuwsgierig is naar alles wat er in Engeland en op het vasteland gebeurt.

2 | De brieven 142 – 297
1e druk / 288 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50

De correspondentie van Desiderius Erasmus

1 | De brieven 1 – 141

In dit eerste deel van de correspondentie is Erasmus al helemaal een man met een passie en een missie. Hij wil de wereld zuiveren van het barbarendom der Middeleeuwen, de klassieke oudheid in oude luister herstellen, het geloof ontdoen van alle franje en bijkomstigheden. Hij wil tijd en vrijheid om te studeren, heeft daarvoor beschermheren nodig, maar is niet van plan ook maar iets van zijn onafhankelijkheid prijs te geven. Als scherpzinnig debater weet hij te vleien waar dat gepast is, maar ontziet hij vriend noch vijand wanneer ze hem in zijn diepste overtuigingen kwetsen. Zijn eretitel: een onafhankelijk denker.

1 | De brieven 1 – 141
1e druk / 326 blz. / 16 x 24 cm / € 42,50